slogan

Wake-up call: 'Had ik mijn schoonouders maar nooit vertrouwd'

“‘Wil je met me trouwen?’ Edward vroeg het tijdens een herfstweekend in Rome. ‘Dan horen we voor altijd bij elkaar.’ Trots schoof hij mijn verlovingsring om. Daarna kocht Edward de blauwe sjaal voor me die ik die ochtend in een etalage had bewonderd.”

De ware

“Ik studeerde nog toen ik Edward leerde kennen. Hij was zes jaar ouder dan ik en afgestudeerd in werktuigbouwkunde. De wereld lag aan zijn voeten. Daarbij was Edward charmant, goedaardig, en reed hij net als ik paard, wat hem extra leuk maakte. Na vier dates wist ik het zeker: jij bent de ware voor mij. Anderhalf jaar later vonden we een huurwoning. Daar wilden we samen genieten en sparen voor onze droom, een koophuis mét paardenstal. Edward verdiende goed en ik werkte ook zoveel mogelijk. Het enige lastige in onze relatie waren Edwards ouders. Ze vonden mij geen goede partij voor hun zoon, en dat lieten ze duidelijk merken."

"Liever hadden ze voor Edward een traditionele partner, iemand die thuis zat, cakes bakte en jong kinderen wilde. Ik wilde eerst carrière maken en reizen, voordat ik aan kinderen begon. Na mijn afstuderen en drie jaar sparen, kochten we een oude boerderij. Op Edwards naam en inkomen, want ik had geen vaste baan. Noem me naïef, maar ik zag nog geen noodzaak in het maken van een testament of samenlevingscontract. Dat zou geregeld worden op het moment van trouwen.”

Groot verdriet

“Toen ging het gruwelijk mis. Vier dagen voor onze verhuizing slipte Edward met zijn auto en sloeg hij drie keer over de kop. Toen de ambulance arriveerde, was hij al overleden. We hadden die ochtend nog gevreeën. De verhuiswagen was al geboekt. Hoe kon dit gebeuren? Edward kón niet weg zijn! Vanaf het moment dat ik het hoorde, huilde ik aan één stuk door. Ik at bijna niet meer en viel kilo’s af. Wat daarna gebeurde, had ik kunnen weten."

"Bij het regelen van de uitvaart ging het al mis. Edwards ouders eisten dat hij begraven werd. Ik jankte de ogen uit mijn kop. Edward had me regelmatig verteld dat hij gecremeerd wilde worden. Recht van spreken had ik niet, we waren immers nog niet getrouwd, zeiden ze. Edwards familie nam de condoleances in ontvangst en ik moest tussen de gewone gasten staan. Eerst dacht ik nog: dat komt wel goed. Ze doen vast zo, omdat ze enorm verdrietig zijn. Maar binnen twee weken ontving ik de eerste brief van hun advocaat."

"Edwards ouders hadden ontdekt dat zij zijn wettige erfgenamen waren. Of ze per direct de sleutels van ons nieuwe huis én van de flat mochten hebben. Ik weigerde. Huilend zocht ik een advocaat. Omdat de flat op onze beide namen stond, en ik met bank- afschriften kon aantonen dat ik overal de helft van had betaald, hoefde ik Edwards ouders niet binnen te laten. Wel wilden ze al Edwards persoonlijke eigendommen hebben. Op de lijst met spullen die zijn familie terug- eiste, stond zelfs de winterjas waarin hij was verongelukt. ‘Ze gaan achter het huis aan’, waarschuwde mijn moeder. Ik geloofde haar niet. We hadden er jaren voor gespaard en maanden in geklust. Ik had er nog geen nacht in geslapen. Zo gemeen zouden ze toch niet zijn?”

Mensen of monsters?

“Mijn moeder kreeg gelijk. Toen ik inderdaad een brief kreeg dat Edwards ouders de boerderij en zelfs zijn helft van ons spaargeld voor de bruiloft opeisten, wist ik het zeker. Dit waren geen mensen, maar monsters. Edwards ouders vonden mij te modern, dat wist ik. Ik wist ook dat ze het niet breed hadden. Maar dít... Binnen twee maanden woonden mijn schoonouders in onze droomboerderij. Die was door Edwards overlijden hypotheekvrij."

"Godzijdank verlengde de woningcorporatie uit coulance mijn al opgezegde huurcontract. Ik heb zoveel gehuild. Ik mis Edward vreselijk. Ik ben heel blij dat ik nog in deze oude flat kan wonen, maar het is maandelijks knokken om de huur te kunnen betalen. Edwards ouders wonen intussen gratis in ons opgeknapte huis. Door al het gedoe ben ik pas na een jaar toegekomen aan het echte rouwen. De blauwe sjaal – mijn dierbaarste bezit – heb ik gelukkig nog. Daar heeft Edwards familie nooit om gevraagd. Ik wilde alleen dat hij zelf nog leefde en kon zien dat ik hem droeg.”

Tekst: Eveline Karman Beeld: IStock