Je leest het ’t eerst op Grazia.nl

Real life: 'Ik ben opgegroeid in een sekte'

Hannelore (42) leefde tot haar zeventiende in de sekte Gemeente Gods.

Real life: 'Ik ben opgegroeid in een sekte'

Hannelore (42) leefde tot haar zeventiende in de sekte Gemeente Gods. Ze zat in een voormalig klooster en werd compleet gehersenspoeld. Ze wist niet eens meer hoe oud ze was. ‘Mijn hele leven werd bepaald door één gestoorde man.’

De profeet die in contact stond met God

"Sektes hebben iets mysterieus. Er zijn er veel actief in ons land, maar er is weinig over bekend. Daarom kon onze sekteleider ook zo lang zijn gang gaan. Vaak vragen mensen me: hoe kom je bij zo’n gemeenschap terecht? Ik vind het moeilijk om daar antwoord op te geven. Ik was piepjong en het gebeurde gewoon. Heel langzaam, beetje bij beetje, kwamen we er als gezin steeds meer ‘in’. Mijn ouders waren gelovig. We gingen elke zondag naar de kerk en er hingen Bijbelse afbeeldingen en teksten in ons huis. Alleen de badkamer bleef gespaard. Ik kom uit een warm gezin, er was veel liefde, en mijn ouders hadden het beste met mij en mijn zusje voor. Mijn moeder was op zoek naar Bijbels onderwijs voor ons en via iemand van onze basisschool kwam ze bij ene Sipke Vrieswijk terecht. Ze is een keer naar een Bijbelstudie gegaan samen met mijn vader. Vrieswijk beschouwde zichzelf als de profeet die in contact stond met God."

"In eerste instantie kreeg ik er als kind niet veel van mee. Mijn ouders waren zo’n twee avonden per week en de zaterdagen in het klooster in ’s-Gravendeel – wij hadden dan oppas – en elke zondag gingen mijn zusje en ik erheen voor les, dat was prima. Gezellig eigenlijk wel. Het was een mooi oud en imposant gebouw, met grote hoge ramen en ornamenten aan het plafond. Ik herinner me vooral dat er veel andere kinderen waren met wie we dan konden spelen en rondrennen. Ook herinner ik me een grote schommel in de achtertuin van het klooster. Weinig sektarisch aan, toch? Tot Vrieswijk ook bij ons thuis over de vloer kwam. Hij was een charismatische man en had iets statigs. Maar hij zag er ook streng uit, met zijn zwarte kleding en grote bril. Zijn bemoeienis werd geleidelijk aan groter. Voelbaarder. Het begon met commentaar op een schilderij dat boven onze openhaard hing. Dat zou demonisch zijn, zei hij. Dus de volgende dag: weg schilderij. We hadden twee honden, een grote en een kleintje: een bastaard die op een chowchow leek. Mijn lieveling. Die kleine zou volgens Vrieswijk niet goed zijn voor de sfeer binnen ons huis, hij sprak over ‘een occult obstakel’. Vooral mijn moeder was daar gevoelig voor. De volgende dag was het beestje weg. Ik was zo verdrietig.”

Bezeten zusje

“Vrieswijk merkte dat hij steeds meer ruimte kreeg. Vooral toen mijn moeder, mijn zusje en ik niet veel later – ik was 9 – naar het klooster trokken waar Vrieswijk, zijn maîtresse Aagje en hun tientallen volgelingen woonden. Mijn vader bleef nog zeker een jaar thuis wonen omdat hij in opdracht van Vrieswijk geld moest verdienen en dus moest blijven werken. Daar zaten we tussen volwassenen en kinderen die hem aanbaden. Uit angst of eerbied, of een mengeling daarvan. Zijn arm reikte zelfs zo ver dat hij besloot dat mijn zusje weg moest uit het klooster. Volgens Vrieswijk was zij demonisch, bezeten. Zij zou tussen God en ons in staan. Dus mijn zusje moest bij mijn oma gaan wonen en verdween steeds meer uit beeld. Mijn oma was ontzettend geschrokken, maar wilde ook haar kleindochter helpen. Mijn ouders luisterden toen al lang niet meer naar hun familie. Zij gaven aan dat mijn ouders normaal moesten doen en waren het niet eens met mijn ouders, maar toen was het eigenlijk al te laat. Ze konden niet meer tot ze doordringen. Mijn vader trok een jaar na onze verhuizing ook het klooster in, maar hij moest in een bijgebouw wonen. Alle vrouwen en mannen leefden namelijk apart. Dat was Vrieswijks tactiek, maar dat besefte ik eigenlijk pas toen ik er al een aantal jaren uit was. Nog veel later zette journalist Frank Krake, die met mij een boek schreef, alles in perspectief. Vrieswijk verdeelde, en heerste. Hij haalde mensen uit elkaar. Zo kwam hij aan zijn macht."

"Daarnaast handelde Vrieswijk volgens een grote mate van willekeur. Je kon zo ineens door de intercom door hem of Aagje worden omgeroepen. Dat je veertien boterhammen moest smeren, bijvoorbeeld. Of al het beddengoed moest wassen. Zijn schoenen moest poetsen – ik noem maar wat. Ook zijn straffen waren geheel willekeurig. Als je in zijn ogen niet grondig genoeg had gedweild in de gang, moest je het koolhok of kippenhok in. Een paar uur, of een dag. Hij maakte alle keuzes voor ons. Hij bepaalde alles. Of wij ’s avonds bij het eten tien of vijftien spruitjes kregen. Of we een toetje kregen. Of we staand of zittend aten. Hoelang we deden over onze maaltijd. Hij bepaalde welke klusjes we deden, welke kleren we droegen. Die kleding was, als ik het me goed herinner, onopvallend en onpersoonlijk. We moesten vooral opgaan in de Gemeenschap. Ik kreeg een andere naam: Ruma. De naam Hannelore werd niet meer uitgesproken. Er werden geen feestdagen gevierd, we hadden geen tijdsbesef, en ook verjaardagen werden afgeschaft. Ik had geen idee hoe oud ik was."

"Bij het schrijven van mijn boek was dat lastig. Hoe moest ik de gebeurtenissen in de tijd plaatsen? Ik mocht het klooster alleen uit om naar school te gaan, maar omdat Vrieswijk zei dat alles buiten het klooster vreemd was, ging ik amper met klasgenoten om. Het allerverdrietigste vond ik nog wel dat mijn moeder en ik ook werden gescheiden. Ik werd met een andere vrouw op de kamer geplaatst, mijn moeder mocht mij niet meer aanraken. Ik kan me nog goed herinneren dat we elkaar zagen, bovenaan de trap, en dat ze de tranen in haar ogen had staan. Ik zag veel verdriet bij haar. Ze ging kapot vanbinnen. Maar ze geloofde écht, oprecht, dat het beter was dat wij elkaar niet meer zagen. Want Vrieswijk zei het. En Vrieswijk sprak de woorden van God. Wie spreek God nou tegen? Dat is dus waarom het geloof, behalve mooi en steunend, volgens mij ook gevaarlijk kan zijn. Als je het verkeerde gelooft, naar de verkeerde mensen luistert. Dat is één van de redenen dat ik mijn verhaal vertel. We moeten er alert op blijven en aan de bel trekken als we denken: wat dáár gebeurt, klopt niet.”

Geen vriendinnetjes

“Wat heel heftig was en hoorde bij zijn ziekelijke machtsspelletjes, was het seksueel misbruik. Ik wil dat niet de boventoon van mijn verhaal laten voeren, omdat mijn leven in die sekte meer was dan alleen dát, maar ik wil er ook niet over zwijgen. Hij deed het, voor zover bekend werd in de latere rechtszaak, met heel veel vrouwen en kinderen. Dan moet je denken aan vijftien vrouwen en minimaal zeven kinderen. Ik wist niet dat het niet goed was, maar ik denk ook dat ik er niet bij stil stond dat het gebeurde in zijn slaapkamer. Iedereen wist ervan, dat dit soort dingen gebeurde, maar niemand sprak erover. Een publiek geheim. Ons gezin viel snel uit elkaar. Mijn zusje was natuurlijk al bij mijn oma, en op mijn dertiende trok mijn vader het niet meer in het klooster, dus vertrok hij. Daarmee kwam ook een einde aan het huwelijk van mijn ouders, want mijn moeder bleef. Net als ik. Weggaan was geen optie voor mij. Dat kwam niet in me op. Ik was een kind dat naar haar moeder luisterde. Ik volgde. Er werd ons gezegd dat wij de uitverkorenen waren, en ergens denk je dan: nou ja, dat is dan zo."

"Ik voelde me daardoor wel anders. Op de middelbare school leek het onmogelijk aansluiting te vinden. Ik ging niet naar feestjes of op schoolreisjes, ik had geen vriendinnen. Vriendjes waren helemaal uit den boze – die hadden duivelse invloeden. Niemand wist hoe ze met me moesten omgaan en ik was mezelf toentertijd al volkomen kwijt. Ik had geen lievelingskleur, geen mening, wist niets van het wereldnieuws. Mijn moeder en ik verloren elkaar in die tijd uit het oog. Of ik haar miste? Geen idee. We hadden geen gevoelens, hè. Ik weet nog dat mijn moeder een keertje naar mijn zus belde, en dat ze zei dat ze haar stem wilde horen. Zelfs dát was niet mijn moeders eigen keuze geweest: dat had Vrieswijk bepaald. Iemand met een normale jeugd, kan zich denk ik niet voorstellen hoe het is om niets ‘eigens’ te hebben. Met een aantal volgelingen heb ik ook ruim twee jaar in het buitenland gewoond. Een jaar in het Beloofde Land Israël, twee maanden in Zweden en daarna nog een jaar op Cyprus."

"Je kunt het zien als ontvoering: ik ben zonder mijn moeder als minderjarige meegenomen. We deden daar hetzelfde als wat we in Nederland deden: leven, bidden, het huishouden, de boel draaiende houden, als dienaren. Aan vluchten heb ik nooit gedacht. De sleutel hing naast de deur, we zaten niet letterlijk opgesloten, maar wel in onze hoofden. Het was mentaal geen optie voor mij om te ontsnappen. Bovendien: waar moest ik heen? Toen ik zeventien was, ben ik er tegen mijn wil uit gehaald. Ik was op Cyprus en er volgde een internationale klopjacht op Vrieswijk. Nederlandse media berichtten over de ‘misbruikende sekteleider’, de ‘psychotische prediker’. Hij werd in Engeland aangehouden en kreeg uiteindelijk tbs met dwangverpleging. Ik weet nog dat mijn moeder alles op alles zette om mij terug te halen, omdat zij inmiddels in afwezigheid van Vrieswijk de sekte de rug toe had gekeerd. Ze was vol wroeging. Met hulp van een vasthoudende Nederlandse agent kwam ik terug. Ik was wóést. Ik zag niet in dat die sekte niet ‘normaal’ was. Jaren was me voorgehouden dat de buitenwereld duivels was en nu moest ik ineens geloven dat dat niet zo was?”

Bewonderenswaardig

“Mijn moeder haalde me terug naar Nederland, ik moest wel, ik was nog minderjarig. Ik kon bij mijn oom – mijn moeders broer – en zijn vrouw terecht. Mijn oom heeft altijd geprobeerd om mijn moeder om te praten. In mijn hoofd was ik nog steeds gevangen. Ik had geen toekomstdromen, wist niet wat ik wilde – dus hoe kun je dan een studie uitkiezen? Ik toonde thuis geen initiatief. Ik wist niet wat ik leuk vond op tv, want daar keek ik nooit naar. Als we klaar waren met eten, kwam ik niet op het idee om de tafel af te ruimen, want Vrieswijk zei altijd wie wanneer wat moest doen. Mijn tante moest echt zeggen: ‘Misschien kun je alle borden even in de vaatwasser zetten?’ Wat ik ook niet gewend was: totale ontspanning. Ik was altijd op mijn hoede. Wat zou Vrieswijk doen? Bevelen? Roepen? Wensen? Ik kende ook geen genegenheid van het soort dat je normaal van je ouders krijgt. Het was een verademing om een liefdevol gezinsleven te zien, aai over je bol, arm om je schouder. Héél langzaam werd het voor mij ‘normaal’. Langzaam kreeg ik mijn leven weer op de rit. Ik ging studeren voor apothekersassistente, en niet veel later ontmoette ik mijn huidige man."

"Letterlijk liefde op het eerste gezicht en fijn om te merken dat ik dat dus wel kon: iemand leuk vinden. Hij had al wel vrij snel door dat ik niet uit een traditioneel gezin kwam. Ik vertelde hem alles, had geen geheimen. En hij luisterde, zonder oordeel. Hij kende me in een mum van tijd door en door. Mijn man leerde me mijn eigen grenzen kennen én aangeven. Met mijn moeder is het langzaam goed gekomen. We hebben veel gepraat en ik weet hoeveel spijt ze heeft. Zij dacht écht dat ze deed wat het beste voor ons was. Ik hoefde haar daarom ook niet te vergeven. De band met mijn zus en vader is ook sterk. Het is zonde dat we zoveel van elkaars leven hebben gemist, maar daar is niets aan te veranderen. Ze waren allebei op mijn boekpresentatie en staan achter mijn verhaal. In 2010 werd de tbs van Vrieswijk beëindigd. Hij is weer teruggegaan naar een klooster in Papendrecht, waar altijd nog tien volgelingen op hem wachtten. Hij heeft daar nog negen jaar geleefd en overleed vorig jaar. Ik voel geen woede jegens hem. Wat hij ook heeft gedaan, hoeveel gezinnen hij ook kapot heeft gemaakt: ik zit niet in de slachtofferrol. Het is nu eenmaal zo gelopen in mijn jeugd. Mijn geloof ben ik niet kwijtgeraakt. Dat is sterker dan ooit. Mijn naam Hannelore – die ik nu natuurlijk weer terug heb – betekent: ‘God die mij begunstigt, hij is mijn licht’. Zo ervaar ik het. God heeft me geholpen me weer vrij te voelen. En dat voelt heerlijk.”

Tekst: Lisanne van Sadelhoff | Beeld: iStock